Lifesaving zwembad

In de zwembadcompetitie worden verschillende technieken en materialen benut: zwemmen met en zonder zwemvliezen, al dan niet onder water, eendenduik, onder een hindernis zwemmen, vervoeren van een pop met en zonder reddingsgordel. In totaal zijn er zes individuele proeven en vier aflossingproeven in het zwembadgedeelte. 

 

Individuele proeven

A1. Hinderniszwemmen (100 m/200 m) / Obstacle swim (200 m)

De atleet zwemt 200 m vrije slag en zwemt hierbij acht maal onder een hindernis door van 70 cm. Er bestaan verschillende manieren voor het nemen van een hindernis. De hindernissen liggen op 12,5 m van de kant. In een 25 m-bad ligt er dus maar een hindernis en in een 50 m-bad liggen er twee hindernissen per baan. Voor de benjamins en miniemen is de afstand gehalveerd, zij zwemmen dus vier keer onder een hindernis door.

Hinderniszwemmen

 

A2. Popredden met zwemvliezen (50 m/100 m) / Manikin carry with fins (100 m)

De atleet zwemt eerst 50 m vrije slag met zwemvliezen. Vervolgens duikt de atleet naar een pop, brengt ze binnen de 10 m aan de oppervlakte en vervoert de pop dan naar de aankomst. Het vervoeren kan op verschillende manieren gebeuren naar gelang de voorkeur van de atleet. Bij benjamins en miniemen is de afstand gehalveerd, zij zwemmen 25 m met zwemvliezen, nemen de pop op en zwemmen dan verder naar de aankomst. Naast een kortere afstand zwemmen de jongeren ook met zachte zwemvliezen en een kleinere pop.

Popredden met zwemvliezen

 

A3. Reddingscombiné (50 m/100 m) / Rescue medley (100 m)

De atleet zwemt 50 m vrije slag. Na het keren moet hij onmiddellijk onder water naar een pop zwemmen (17,5 m). Hij brengt de pop binnen de 5 m naar de oppervlakte en vervoert ze verder naar de aankomst. Ook hier bestaan er verschillende technieken voor het vervoeren van de pop. De benjamins en miniemen zwemmen 25 m vrije slag, daarna 10 m onder water tot aan de pop en vervolgens 15 m met de kleine pop.

Combin

 

A4. Popredden (50 m) / Manikin carry (50 m)

De atleet zwemt 25 m vrije slag en duikt vervolgens naar de pop. Hij brengt ze binnen de 5 m naar de oppervlakte en vervoert ze dan naar de aankomst.

Popredden

 

A5. Lifesaver (50 m/100 m) / Manikin tow with fins (100 m)

De atleet zwemt 50 m vrije slag met zwemvliezen en reddingsgordel, klikt de gordel rond de pop en sleept ze 50 m naar de aankomst.
De benjamins en miniemen zwemmen 25 m vrije slag met zwemvliezen en gordel, klikken de gordel rond de pop en slepen de pop 25 m naar de aankomst.

Lifesaver

 

A6. Superlifesaver (100 m/200 m) / Superlifesaver (200 m)

De atleet zwemt 75 m vrije slag, duikt vervolgens de pop op en vervoert ze 25 m. Na het aantikken wordt de pop losgelaten en moet de atleet, in het water, de zwemvliezen aantrekken en de reddingsgordel aan doen. Vervolgens zwemt hij 50 m vrije slag, klikt de gordel rond de pop en sleept ze 50 m naar de aankomst. Bij de benjamins en miniemen wordt er 25 m vrije slag gezwommen. Na het opduiken van de pop wordt deze 25 m vervoerd. Vervolgens worden de zwemvliezen en gordel in het water aangetrokken waarna de zwemmer 25 m vrije slag zwemt. Na het vastklikken van de pop wordt de laatste 25 m afgelegd.

Superlifesaver

 

 

Teamproeven

B1. Hindernisaflossing (4 x 50 m) / Obstacle relay (4 x 50 m)

Om de beurt zwemmen vier zwemmers 50 m vrije slag. Ze gaan daarbij elk twee maal onder een hindernis door. De volgende zwemmer mag pas vertrekken als de vorige aangetikt heeft.

Hindernisaflossing

 

B2. Popaflossing (4 x 25 m) / Manikin relay (4 x 25 m)

Vier atleten zwemmen elk 25 m met een pop. Alle atleten starten in het water (aan de kant of in het midden van het zwembad).

Popaflossing

 

B3. Reddingsgordelaflossing (4 x 50 m) / Medley relay (4 x 50 m)

In deze aflossing zwemmen de vier atleten elk een ander onderdeel: 

  • Zwemmer 1: 50 m vrije slag zonder zwemvliezen
  • Zwemmer 2: 50 m vrije slag met zwemvliezen
  • Zwemmer 3: 50 m vrije slag met reddingsgordel
  • Zwemmer 4: 50 m vrije slag met zwemvliezen, gordel en slachtoffer

Zwemmer 4 neemt de reddingsgordel over van zwemmer 3 zwemmer 4 sleept hiermee zwemmer 3 (die enkel een beenslag mag gebruiken om te helpen) naar de aankomst.

Gordelaflossing

 

B4. Lijnwerpen / Line throw

Een ploeg bestaat uit twee atleten: een 'slachtoffer' en een 'redder'. De 'redder' staat aan de kant van het zwembad. Na het binnnenhalen van het touw werpt hij dit vervolgens naar het 'slachtoffer' dat zich in het water bevindt, op 12,5 m (8 m voor de jongeren) van de kant. Zodra het ‘slachtoffer’ het touw kan grijpen haalt de ‘redder’ het ‘slachtoffer’ binnen. Het ‘slachtoffer’ mag meehelpen met de benen.

Linethrow

 

Voor een exacte beschrijving van alle proeven verwijzen we naar het technisch reglement van de Vlaamse Reddingsfederatie. Er bestaat een apart gedeelte voor de zwembadproeven en de openwaterproeven. 

Voor grote internationale kampioenschappen wordt er steeds een nieuw reglement uitgeschreven. Er wordt steeds gewerkt met het meest recente reglement. Je kan het ILS reglement en ILS-E reglement ook terugvinden in de infotheek of op de website van de internationale lifesaving federatie.